Interculturele Communicatie

Presentaties BA-cursus, blok 2 2010-2011, Dep. Nederlands, Universiteit van Utrecht

Interactie in de multiculturele wiskundeklas

Dit onderzoek naar interactieverschijnselen in de multiculturele wiskunde klas is van exploratief hermeneutische aard omdat het ingaat op de verbale interactie in een wiskundeklas. Allochtone leerlingen hebben vaak problemen met het realistisch wiskundeonderwijs omdat ze bepaalde woorden niet weten en contexten niet kennen door de cultuur waarmee de taal van de wiskundeopdrachten mee beladen is. Uit onderzoek is gebleken dat leerlingen juist interactie nodig hebben om tot een gezamenlijk begrip van de opgave te komen.[1] Zij zouden hierin daarom door de docent moeten worden gestimuleerd. De interactie in de tweegesprekken tussen docent en leerling zullen vanuit het perspectief en de handelingen van de docent worden bekeken. Hieruit is de volgende onderzoeksvraag ontstaan:

Welke strategieën gebruikt de docent wiskunde in interactie met de leerling om deze te stimuleren samen tot een oplossing van de vraagstukken te komen?

Het belangrijkste resultaat komt naar voren in zowel de verbale als non-verbale interactie tussen docent en leerling hetgeen in onderstaand voorbeeld wordt geïllustreerd.

Docent:                 april, twee april of drie april. (zoek maar) ºmisschien wel vier aprilº (1.4)
Leerling:                hè(ik weet) het echt ↑niet
Docent:                 Hm. [Gaan we we/ even ºkij↓kenº (0.4) Welke dag hoort bij grafiek een? Wat zie je bij                                  grafiek een?
Leerling:                Dat het eh nul graden was, [net ietsje   boven nul(0.8)
Docent:                 [hmm >ietsje er boven<.  Ja, en [s’ middags?
Leerling:                [En dat het eindigde net net iets boven achttien graden. Dat is dus=
Docent:                                 [=Achttien? Je moet per dag kijken, hè! [Kijkt naar Nynke
Leerling:                ja maar hier is het achttien ↑meester.
Docent:                 Ja, maar, dat is dat waar hoort dat bij?
Leerling:                Bij nul
Docent:                 Dit is acht en dan gaan tjoep, tjoep, tjoep. Wat staat hierbij, bij deze as?
Leerling:                uren
Docent: En bij deze? (3.9). Wat is [dit? (1.4) Ken je dat tekentje? (1.2) da’s van graden. Zo’n rondje, heel           [wijst; kijkt naar Nynke kl[ein rondje is van graden en Cee is van Cel↓sius, tien gra↓den, [>zie je<? (1.8)

In deze interactie is te zien dat er veel beurtwisselingen zijn en dat de docent via verbale communicatie zoals het vragen van begripsbevestiging en het nadruk leggen op belangrijke woorden in de uitleg ervoor zorgen dat de interactie op een stimulerende en actieve manier verloopt. De docent biedt de leerling via non-verbale interactie, zoals pauzes en het aankijken van de leerling, de mogelijkheid actief te laten deelnemen. Dit is echter een ideaalbeeld, bijna geen enkele interactie verloopt op deze manier. Wij hebben dan ook geconcludeerd dat de docent een leidende rol heeft in de interactie en het zijn initiatief is de leerling te stimuleren. Wanneer de aard van het probleem niet duidelijk wordt tijdens de fase van de probleemstelling kan dit negatieve gevolgen hebben voor het tot stand komen van een gezamenlijk begrip. Daarnaast is een positieve, negatieve of neutrale benadering van de docent ten opzicht van de leerling van groot belang en heeft directe invloed op de interactie en daarmee op het leerproces.


[1] Hajer, M. (1996). Leren in een tweede taal. Interactie in het vakonderwijs aan een meertalige mavo-klas. Groningen: Wolters-Noordhoff.

Reageer: